Om de taal voor Unumba begrijpelijker te maken wordt er gebruik gemaakt van een speciaal voor het programma ontworpen taalsysteem met haar eigen woordschikking en woordbenoeming.
In de Unumba taalverwerking worden er vier hoofdwoordgroepen onderscheiden: krachtwoorden, duidwoorden, leidwoorden en toonwoorden.
Krachtwoorden kunnen onderverdeeld worden in koppelkrachtwoorden en hoofdkrachtwoorden.
Duidwoorden worden onderverdeeld in naamwoorden, beeldwoorden, richtwoorden en aspectwoorden.
Leidwoorden worden onderverdeeld in bindwoorden en voegwoorden.
Toonwoorden bestaan uit seinwoorden en klankwoorden.
1. Krachtwoorden [⇑]
Krachtwoorden geven een toestand, handeling of proces aan.
Krachtwoorden kunnen voorkomen als kernkrachtwoorden zonder voorvoegsels, als voegkrachtwoorden met vaste voorvoegsels [ge-, be-, ver-, ont-, er-, her-, etc] of vaste bindwoorden [doorstaan, ondergaan, overvallen, etc] met de klemtoon op het krachtwoord, en als bindkrachtwoorden met scheidbare bindwoorden [uitgaan, doorgaan, overgaan, etc], aspectwoorden [stilstaan, verdergaan, loslaten, etc] of naamwoorden [paardrijden], met de klemtoon op het beginwoord.
Ze kunnen ingedeeld worden in twee groepen: koppelkrachtwoorden (stamkrachtwoorden, leidkrachtwoorden en beeldkrachtwoorden) en hoofdkrachtwoorden (duidkrachtwoorden, doelkrachtwoorden en zelfkrachtwoorden). Ze kunnen behoren tot verschillende groepen naargelang hun functie in de zin.
Ze kunnen bedrijvend (actief), lijdend (passief) of werkend (ergatief) zijn. Ze kunnen kortdurend (intensief) zijn of langdurend (extensief). Ze hebben verschillende vormen in de verleden, tegenwoordige en toekomstige tijd.
# krachtwoorden of executiewoorden [ned: werkwoorden, eng: verbs]
Koppelkrachtwoorden [⇑]
Overgankelijke krachtwoorden van wording, verwijzing en verschijning.
# stamkrachtwoord of conditiewoord [krachtwoord van wording, ned: hulpwerkwoord, eng: auxiliary verb]
¶ overgankelijk op ander krachtwoord, actief/passief
∩ Koppelen het onderwerp via een leidende kracht aan een bedrijvende kracht. Vormen een krachttoestand of krachtconcept, zoals 'kunnen lopen', 'blijven komen', 'laten zien' of 'zijn geworden'.
• bronkrachtwoord [krachtwoord van omstandigheid,
ned: hulpwerkwoord van modaliteit]; passief, mogelijk/wenselijk:
≡ [het, iets] (hebben) kunnen, willen, zullen, moeten, mogen (doen)
• voerkrachtwoord [krachtwoord van werkzaamheid,
ned: hulpwerkwoord van aspect]; actief (bedrijvend):
≡ [het, iets] (zijn) gaan, komen, blijven;
• volgkrachtwoord [krachtwoord van oorzakelijkheid,
ned: hulpwerkwoord van causaliteit]; actief/passief:
≡ [het, iets] (hebben) doen, laten, leren, helpen; zien, horen (gaan);
• tijdkrachtwoord [krachtwoord van tijd, ned: hulpwerkwoord van tijd]
gaande: ≡ [het] actief: zijn, krijgen (aan het doen); passief: worden, krijgen (gedaan)
voltooid: ≡ [het, iets] actief: wezen (doen), hebben (gedaan); passief: zijn (geworden)
# leidkrachtwoord of migratiewoord [krachtwoord van verwijzing, ned: hulpwerkwoord, eng: auxiliary verb]
¶ overgankelijk op ander krachtwoord, actief/bedrijvend
∩ Koppelen het onderwerp aan een actieve toestand, hoedanigheid, handeling of proces. Dingen die gaande, bezig, gebeurende of aangaande zijn. Iets doen, iets aan het doen zijn. Vormen een actieve toestand of leidconcept, zoals 'zitten te lezen', 'hebben te doen', 'proberen te lopen' en 'weten dat het kan'.
→ Overgankelijk op ander krachtwoord met 'te' constructie:
• staatkrachtwoord [krachtwoord van hoedanigheid, ned: hulpwerkwoord van aspect]
≡ [er/het/te] staan, zitten, liggen, hangen, lopen; komen, geven, krijgen, dreigen,
vallen; beginnen, stoppen;
• wilskrachtwoord [krachtwoord van betrachting]
≡ [iets/het/te/het-te] durven, trachten, proberen; hoeven, hebben, behoren, weigeren;
→ Overgankelijk op ander krachtwoord met 'te' constructie of 'datzin':
• schijnkrachtwoord [krachtwoord van verschijning, ned: hulpwerkwoord van
modaliteit]
≡ [er/het/te/het-dat] zijn, lijken, blijken, schijnen, heten, voor-komen;
• zinskrachtwoord [krachtwoord van ervaring], passief
≡ [iets/het/dat] zien, horen, ruiken, proeven, voelen, merken, ervaren, mee-maken;
• geestkrachtwoord [krachtwoord van bedenking], passief
≡ [iets/het/te/dat] denken, weten, menen, vinden, hopen, dromen, willen, wensen, leren,
begrijpen, beseffen, bedoelen, besluiten, onthouden, vergeten, verwachten, voorkomen,
in-zien, zich herinneren; [er/ergens/dat] van-houden, van-uit-gaan, op-toe-zien;
• spraakkrachtwoord [krachtwoord van stelling], actief
≡ [iets/het/te/dat] zeggen, stellen, vertellen, antwoorden, beloven, beweren, bewijzen,
aan-tonen, uit-leggen; [ergens/dat] ermee-in-stemmen;
# beeldkrachtwoord of constructiewoord [krachtwoord van verschijning, ned: koppelwerkwoord, eng: linking verb]
¶ overgankelijk op naamwoord, beeldwoord of duidwoord, passief/zijnde
∩ Koppelen het onderwerp aan een toestand, hoedanigheid, eigenschap of tijd. Het is zo, het doet zo. Vormen een passieve toestand of beeldconcept, zoals 'iemand zijn', 'oud worden' of 'lekker ruiken'.
≡ [het, iets, iemand] zijn, lijken, schijnen; over-komen, zich-dunken, zich-voor-komen;
worden, blijven, raken, vallen; doen, gaan, staan, zitten, lopen, wonen;
beginnen, eindigen;
ogen, eruitzien, klinken, ruiken, smaken, proeven, voelen (zo, als, alsof)
Hoofdkrachtwoorden [⇑]
Zelfstandige krachtwoorden. Toestanden en handelingen.
# duidkrachtwoord of performatiewoord, onovergankelijk (intransitief), handeling,
actief/passief. Dingen die gaande zijn.
≡ [er] [lopen, kruipen, springen, wachten, slapen]
# doelkrachtwoord of projectiewoord, overgankelijk (transitief) op naamwoord,
richtwoord of aspectwoord, handeling, actief/passief. Dingen die overdragelijk zijn.
≡ [het/iets] [slaan, gooien, kennen, zoeken, verlaten, ontzien]
# zelfkrachtwoord, proceskrachtwoord of manifestatiewoord, onovergankelijk
(intransitief), toestand, werking, wording, passief/ergatief.
Dingen die zijn of gebeuren.
≡ [er/het] [komen, worden, groeien, drijven, sneeuwen, klinken, vallen, duren,
gebeuren, ontstaan, bestaan, voor-komen, verschijnen, verdwijnen]
Duiden iets of iemand.
2. Naamwoorden [⇑]
Naamwoorden benoemen een ding, zaak, idee of persoon:
# naamwoorden, benoemwoorden, duidwoorden van benaming
# kenwoord of cognitiewoord, duidwoord van verkenning [conceptwoord]
[ned: zelfstandig naamwoord, eng: noun]
Kenwoorden kunnen zelfstandig voorkomen of als afgeleide van een krachtwoord, met dezelfde voorvoegsels (ge-, be-, ver-, ont-, er-, her-, etc) en bindwoorden (uitgang, doorgang, overgang, etc). Ze kunnen voorkomen met of zonder voorafgaand duidwoord, beeldwoord, aspectwoord en bindwoord.
vraag: wat is het
→ concrete kenwoorden [beeldconceptwoord]
Dingen die je kunt ervaren door je zintuigen (huis, zee, schip, wind)
→ abstracte kenwoorden [geestconceptwoord]
Dingen die je kunt ervaren door je geest (moed, liefde, droom, avontuur)
# noemwoord of vocatiewoord, duidwoord van benoeming [ned: eigennaam, eng: proper name]
Benoemen een persoon (wie), zaak of plaats (welk)
vragen: wie, welk [Tom, Anna, Unumba, Amsterdam, etc]
3. Beeldwoorden [⇑]
Beeldwoorden beschrijven of verbeelden een ding, zaak, idee of persoon:
# beeldwoorden, descriptiewoorden of perceptiewoorden, beschrijfwoorden, duidwoorden van beschrijving of verbeelding [ned: bijvoeglijk naamwoord, eng: adjective]
vragen: hoe, welk(e), wat voor (een)
Ze zijn onder te verdelen in vier groepen:
Ook met graadwoorden: # vormwoord of impressiewoord, duidwoord van vorm [klein/diep/rond/e] # voelwoord of expressiewoord, duidwoord van ervaring [leuk/slim/mooi/e] # kleurwoord of luminatiewoord, duidwoord van kleur [groen/blauw/e]
Nooit met graadwoorden: # stofwoord of substantiewoord, duidwoord van substantie ≡ [houten, ijzeren, katoenen] (stof-, materiaal- en elementwoorden)
4. Richtwoorden [⇑]
Richtwoorden richten zich op een ding, persoon, zaak, of idee. Ze duiden of verduidelijken iets of iemand.
# richtwoorden of indicatiewoorden, bepaalwoorden, duidwoorden van bepaling
[ned: voornaamwoord, eng: pronoun] [dit doet dat]
Ze zijn onder te verdelen in twaalf groepen:
Onderzoekend: # vraagwoord (interrogatiewoord) [duidwoord van onderzoeking] [ned: vragend voornaamwoord/bijwoord, eng: interrogative pronoun] • richtvraagwoord [wat, wie, wiens, welk/welke, wat-voor, hoe-veel] focus, persoon, keuze, onderscheid, aantal • aspectvraagwoord [hoe, waar, wanneer] hoedanigheid, plaats, tijd • bindvraagwoord [waar-om, waar-door, waar-over, waar-van, waar-mee, waar-toe] reden, oorzaak, onderwerp, betrekking, middel, doel
Onovergankelijk: # zelfwoord (personatiewoord, subjectwoord) [duidwoord van onderwerp] [ned: persoonlijk voornaamwoord, eng: subject pronoun] ≡ [ik, jij/je, hij/ie, zij/ze, wij/we, jullie, zij/ze(mv)] [-zelf] vraag: wie # keerwoord (objectwoord) [duidwoord van verwijzing] [ned: persoonlijk voornaamwoord, eng: object pronoun] ≡ [mij/me, jou/je, hem, haar, ons, jullie, hen] (hij kent *) vraag: bindwoord + wie # zelfkeerwoord (reflectiewoord) [duidwoord van zelfkeer] [ned: wederkerend voornaamwoord, eng: reflexive pronoun] ≡ [me-zelf, je-zelf, zich-zelf, ons-zelf] vraag: bindwoord + wie # samenkeerwoord (correlatiewoord) [duidwoord van samenkeer] [ned: wederkerig voornaamwoord, eng: reciprocal pronoun] ≡ elk-ander, elkaar, mekaar] vraag: bindwoord + wie # reikwoord (extensiewoord) [duidwoord van bereik] [ned: onbepaald voornaamwoord, eng: indefinite pronoun]; vraag: wat, wie, welk(e) Er zijn vier vormen: • vatwoord [exploratiewoord, duidwoord van onbestemdheid] ≡ [iets, iemand] • alwoord [accumulatiewoord, duidwoord van omvattendheid] ≡ [alles, allen, allemaal, iedereen] • nulwoord [negatiewoord, duidwoord van afwezigheid] ≡ [niets, niks, niemand] • evenwoord [indifferentiewoord, duidwoord van willekeurigheid] ≡ [wat dan ook, wie dan ook, om het even wie, welk(e) dan ook]
Overgankelijk: # lidwoord (definitiewoord) [duidwoord van geleding] [ned: lidwoord, eng: article] [de (geslachtelijk bepaald); het (onzijdig bepaald); een (onbepaald)] vraag: wat # telwoord (numeratiewoord) [duidwoord van getal] [ned: telwoord, eng: numeral] - hoofdtelwoord [drie, honderd, een miljoen] - breuktelwoord [twee derde, vier vijfde] - rangtelwoord, sequentiewoord [de eerste, de derde, het laatste] vraag: hoeveel, welke # doelwoord (demonstratiewoord) [duidwoord van aanduiding] [ned: aanwijzend voornaamwoord, eng: demonstrative pronoun] met of zonder kenwoord ≡ [het, dit, dat, deze, die] vraag: wat, wie, welk(e), wat voor # eigenwoord (relatiewoord) [duidwoord van eigenheid] [ned: bezittelijk voornaamwoord, eng: possesive pronoun] ≡ [mijn, m’n, jouw, je, zijn, z’n, haar, d’r, ons, onze, jullie, hun] [eigen] vraag: wiens # rangwoord (distinctiewoord) [duidwoord van onderscheid of keuze] [ned: onbepaald voornaamwoord, eng: indefinite pronoun] ≡ [zo'n, zo een, zulk(e) | dezelfde, hetzelfde, een zelfde | een ander(e), ander(e) | beide, geen van beide | enig(e), menig(e), sommig(e), bepaalde, verscheidene, verschillende, uiteenlopende | elk(e), ieder(e), al-het, alle] vraag: welke (ervan) # schaalwoord (collectiewoord) [duidwoord van hoeveelheid] [ned: onbepaald voornaamwoord, eng: indefinite pronoun] met of zonder kenwoord ≡ [geen, wat, veel, vele, meer, genoeg, zat, voldoende, enkele, meerdere, ettelijke, geeneen, geen enkel(e)] vraag: hoeveel (ervan) # slaakwoord (exclamatiewoord) [duidwoord van uitroeping] [ned: uitroepend voornaamwoord, eng: exclamational pronoun] ≡ [wat, wat een, hoe, hoe een, zo, zo een, zo'n, welk een, zulk een, zulke] [dat] (zie ook graadwoorden)
Verwijzend: # bronwoord (referentiewoord) [duidwoord van betrekking of herleiding] [ned: betrekkelijk voornaamwoord, eng: relative pronoun] iets 'dat' gebeurt, iemand 'die' wacht, daar 'waar' het is ≡ [dat, wat, die, wie, hoe, waar, wanneer, welk, welke, hetwelk, dewelke, hetgeen, hetgene, datgene, diegene, degene(n)] [wat dat doet] vraag: wat, wie, welk(e) # knoopwoord (compositiewoord) [duidwoord van verbinding] [ned: voornaamwoordelijk bijwoord, eng: pronominal adverb] Knoopwoorden zijn verbindingen van richtwoorden met bindwoorden. Er zijn drie vormen: • volgwoord (richtknoopwoord): constructies met richtwoorden (er, hier, daar, ergens, nergens, overal) en bindwoorden (af, mee, toe, heen, vandaan, etc) ≡ [erin, ermee; hierdoor, daarmee; ergens mee, nergens mee; ermee heen, etc] • hechtwoord (vraagknoopwoord): constructies met 'waar' en bindwoorden ≡ [waarvan, waarmee, waarnaar, etc] • vlechtwoord (bindknoopwoord): constructies met bindwoorden en vraagwoorden (wat, welke, wie). ≡ [door wat, in welke, op wie, etc]
5. Aspectwoorden [⇑]
Aspectwoorden zijn woorden of groepen van woorden die een krachtwoord, een beeldwoord, een ander aspectwoord, soms een naamwoord, of een hele zin, nader bepalen of daar meer informatie over geven. Ze duiden tijd, ruimte en hoedanigheid. Ze kunnen weggelaten worden uit het midden van een zin zonder dat de zinsstructuur verandert. Je kunt ze herkennen doordat je een vragende zin die begint met een krachtwoord kunt bevestigen door er een aspectwoord voor te plaatsen.
# aspectwoorden of informatiewoorden, beschouwwoorden, duidwoorden van tijd, ruimte en hoedanigheid
[ned: bijwoord, eng: adverb] [vragen: wanneer: tijd, waar: ruimte, hoe: hoedanigheid]
[dit doet * dat]
Ze kunnen ook als nieuwschikkend voegwoord (rijgwoord) gebruikt worden [* doet dit dat]
Ze zijn onder te verdelen in twaalf groepen:
→ Aspectwoorden van tijd [wanneer? hoe lang? hoe vaak? hoe snel?]
# tijdwoord (eventiewoord) [duidwoord van tijdstip] [ned: bijwoord van tijd]
vraag: wanneer [tt: nu, dan, straks, gauw, later, binnenkort, vandaag, morgen, ooit]
[vt: net, toen, onlangs, gisteren, ooit, lang geleden]
# wijlwoord (duratiewoord) [duidwoord van tijdsduur]
vraag: hoelang [even, een poosje, tijdelijk, voor altijd, eeuwig, etc]
# maatwoord (ritmewoord, frequentiewoord) [duidwoord van herhaling/tijdritme]
vraag: hoe vaak [nooit, zelden, soms, af en toe, zo nu en dan, regelmatig, iedere dag, meestal, vaak, altijd, etc]
# wendwoord (transitiewoord) [duidwoord van verandering/tijdswijze]
vraag: hoe snel [snel, vlug, langzaam, ineens, opeens, plotseling, etc]
→ Aspectwoorden van ruimte [waar? waarheen? waarvandaan?]
# plaatswoord (locatiewoord) [duidwoord van plaats] [ned: bijwoord van plaats]
vraag: waar dan [hier, daar, verderop, ginds, etc]
# ruimtewoord (oriëntatiewoord) [duidwoord van dimensie] [ned: onbepaald bijwoord]
vraag: waar toch [er, ergens, nergens, elders, overal, etc]
# peilwoord (positiewoord) [duidwoord van afstand]
vraag: hoe ver [dichtbij, ver, veraf, ver vandaan, in de buurt, achteraf, afgelegen, etc]
# voerwoord (navigatiewoord) [duidwoord van richting] [ned: bijwoord van richting]
vraag: waarheen [erheen, ervandaan, opzij, omhoog, omlaag, opwaarts, neerwaarts, etc]
→ Aspectwoorden van hoedanigheid [hoe?]
# staatwoord (situatiewoord) [duidwoord van toestand]
vraag: hoe [zo, alleen, samen, met elkaar, etc]
# schijnwoord (potentiewoord) [duidwoord van mogelijkheid/tijdpotentie]
vraag: hoe zeker [misschien, waarschijnlijk, vast, eventueel, etc]
# weegwoord (annotatiewoord) [duidwoord van ervaring]
vraag: op welke wijze [echt, eigenlijk, gelukkig, natuurlijk, vanzelfsprekend, in feite, achteraf, etc]
# stelwoord (injectiewoord) [duidwoord van versterking] [ned: voegwoordelijk bijwoord]
vraag: wat verder [dus, ook, echter, trouwens, immers, bovendien, nochtans, desondanks, etc]
# graadwoord (gradatiewoord) [duidwoord van graad of mate, ned: bijwoord van graad], vraag: hoe, in welke mate [erg, heel, zeer, vrij, nogal, enigszins, bijzonder, geweldig, hartstikke, etc] Overgankelijk op beeldwoord of aspectwoord. (zie ook slaakwoorden) Graadwoorden benadrukken een beeldwoord, bv: mooi, of aspectwoord, bv: ver
Leidwoorden (functiewoorden) [⇑]
Leiden een nieuwe zin of zinsdeel in.
6. Bindwoorden [⇑]
Bindwoorden verbinden zich met krachtwoorden, naamwoorden, beeldwoorden, richtwoorden, aspectwoorden en voegwoorden. Er bestaan rond de 120 bindwoorden en meer dan 30 bindwoordconstructies.
# bindwoorden of junctiewoorden [ned: voorzetsel, eng: preposition]
vragen: hoe, waar, wanneer, waarom, waarvan, waarmee, waardoor, waarover, waarheen, etc
a. # richtbindwoord (voorbindwoord), verbinden het onderwerp (subject) met het voorwerp (object). Ze duiden ruimte, tijd, hoedanigheid en aspect aan van het object [doordat]
[in, op, aan, van, met, tot, door, over, langs, voorbij, volgens, ondanks, vanwege, etc]
b. # krachtbindwoord (achterbindwoord), deel van een bindkrachtwoord [daardoor]
[het/er: in, op, aan, af, uit, mee, toe, door, over, langs, heen, voorbij, achterna, etc]
c. # doelbindwoord (overbindwoord), deel van een bindkrachtzin
[er: vanaf, naartoe, doorheen, overheen, in op, op aan, etc]
d. # voegbindwoord (doorbindwoord), deel van een doelconcept
[te: om, door, na, zonder, alvorens, in plaats van, etc]
7. Voegwoorden [⇑]
Voegwoorden verbinden zinnen of zinsdelen.
# voegwoorden of conjunctiewoorden [ned: voegwoorden, eng: conjunctions]
a. # weefwoord: nevenschikkend (connectiewoord, illustratiewoord)
[ned: nevenchikkend voegwoord, eng: coordinating conjunction]
[en, of, noch, maar, dus, want] [dit doet dat]
b. # schikwoord: onderschikkend (additiewoord, motivatiewoord)
[ned: onderschikkend voegwoord, eng: subordinating conjunction]
vragen: wat, waarom, wanneer, hoelang, etc
bepaling: dat, of
reden: omdat
oorzaak: doordat
toegeving: hoewel, ofschoon
beperking: mits, tenzij
voorwaarde: als, wanneer, indien
tijd: nu, toen, zolang
doel: zodat, opdat
associatie: alsof
vergelijking: zoals
[dit dat doet]
c. # rijgwoord: nieuwschikkend (distributiewoord, argumentatiewoord)
[ned: nieuwschikkend voegwoord, eng: newordinating conjunction]
[daarom, ook al, toch, sindsdien, zodoende] [doet dit dat]
8. Toonwoorden [⇑]
Toonwoorden zijn woorden uit de spreektaal of klanknabootsing. Ze zijn niet deel van de zinsstructuur. Ze kunnen onderverdeeld worden in seinwoorden en klankwoorden (of communicatiewoorden en imitatiewoorden)
# toonwoorden of interjectiewoorden [ned: tussenwerpsels, eng: interjections]
Seinwoorden [⇑]
# seinwoord, signaalwoord (communicatiewoord) [actief]
Woorden die gebruikt worden om geluiden van menselijke communicatie, interactie en emotie te verwerken in een zin.
a. #stemwoord (redenatiewoord)
Uitdrukkingen van redenatie (bevestiging of ontkenning)
[ja, jawel, nee, welnee, wel, niet, ok]
b. #weerwoord (reactiewoord)
Uitdrukkingen van reactie (twijfel of verbazing)
[eh, tsja, ach, och, moah, welja, nee maar, toe maar, hoe is het mogelijk, dus? toch? nietwaar?]
c. #roepwoord (exclamatiewoord)
Uitroepen van reactie (afkeer en vreugde)
[hoi, psst, boe, foei, hoera, helaas, proost, klaar, yes, tsjakka]
d. #kreetwoord, vloekwoord (maledictiewoord)
Uitroepen van emotie (pijn en krachttermen)
[au, aaargh, jakkes, gatver, gatverdamme]
Klankwoorden [⇑]
# klankwoord, mimiekwoord (imitatiewoord) [passief]
Woorden die gebruikt worden om geluiden van mensen, dieren, voorwerpen en de natuur na te bootsen.
a. Menselijke geluiden, zoals lachen, hikken en niezen.
[haha, hihi, hik, hatsjie]
b. Dierlijke geluiden, zoals het geluid van een koe, schaap, kat of hond.
[moeh, mèèèh, miauw, woef]
c. Voorwerpgeluiden, zoals het geluid van een klok, deurbel of telefoon.
[tik-tak, ding-dong, tring-tring]
d. Spierkrachten en natuurkrachten, zoals rennen, springen of waaien.
[boem, wham, taktaktak, hopla, woeps, whoei]